• TAS: Telecommunicatie Autoriteit Suriname

  • 1

Telegraaf- en Telefoonwet 1945

 

LANDSVERORDENING VAN 26 JULI 1945
BETREFFENDE AANLEG, EXPLOITATIE EN GEBRUIK VAN TELEGRAFEN EN
TELEFONEN
(ZOALS ZIJ LUIDT NA DE DAARIN AANGEBRACHTE WIJZIGINGEN,
LAATSTELIJK BIJ S.B.1983 NO.54)
(VERBETERBLAD OP S.B.1984 NO.33).

In deze "Telegraaf- en Telefoonwet 1945"
is door de afdeling Juridische Zaken van Telesur
de actuele wetstekst bijeen gebracht.

* Artikel gewijzigd bij S.B.1983 No.54.

** Artikel verbeterd bij S.B.1984 No.33.

*** Inwerking getreden met ingang van 1 november 1945 (G.B.1945 No.114).

 

1945 No. 113

GOUVERNEMENTSBLAD VAN SURINAME

LANDSVERORDENING van 26 juli 1945 betreffende de aanleg, exploitatie en gebruik van telegrafen en telefonen.

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,

In overweging genomen hebbende dat het, mede met het oog op de voortgeschreden technologische ontwikkeling die in het telecommunicatiewezen heeft plaatsgevonden, wenselijk en noodzakelijk is de "Telegraaf- en Telefoonwet 1945" nader te wijzigen;
Heeft, na goedkeuring door het Militair Gezag en de Raad van Ministers vastgesteld het onderstaande decreet:

 

§ 1. Algemene bepalingen

* Artikel 1
  1. Deze landsverordening (wet) verstaat:
    1. onder "telegrafen en telefonen" - tenzij het tegendeel is uitgedrukt - alleen die welke voor het openbaar verkeer zijn bestemd;
    2. onder "openbare gronden" de openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, trenzen, sloten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken, voorts de wateren en vaarten met de daartoe behorende bruggen, de plantsoenen, pleinen en andere plaatsen tot gemene dienst van allen bestemd, alsmede de spoorwegen met de daarbij behorende terreinen;
    3. onder "lijnen" het samenstel van ondersteuningswerken, beschermingswerken, draden, kabels en inrichtingen tot het regelen van de elektrische eigenschappen der geleidingen, alsmede inrichtingen, bestemd om daarin verbinding tot stand te brengen tussen geleidingen in openbare gronden enerzijds en geleidingen in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde geleidingen onderling;
    4. onder "draden" of "geleidingen" de metaaldraden, welke tot het voortplanten van den elektrische stroom dienen;
    5. onder "de Minister": de Minister belast met de zorg voor de Telecommunicatie;
    6. onder "Telesur": het Telecommunicatiebedrijf Suriname, zijnde de rechtspersoon die het telecommunicatiebedrijf uitoefent en van Staatswege telegrafen en telefonen aanlegt en exploiteert.
  2. Zoowel in dit als in de volgende artikelen zijn onder "telegrafen en telefonen" tevens begrepen radiotelegrafen en radiotelefonen.

 

* Artikel 2
  1. Voor den aanleg en de exploitatie van telegrafen en telefonen - met uitzondering van radiotelegrafen en -telefonen aan boord van schepen en luchtvaartuigen - door anderen dan door Telesur, wordt ene door de President verleende concessie vereist.
  2. Behalve de voorwaarden in elk bijzonder geval aan de concessie te verbinden, wordt als regel gesteld:
    1. dat de aanleg, de instandhouding en de exploitatie geschieden ten genoegen van de Minister;
    2. dat de tarieven aan goedkeuring van de President, de voorwaarden van het gebruik, de dienstregelingen en de regeling der lonen en diensttijden van het bedienend personeel aan de goedkeuring van de Minister zijn onderworpen;
    3. dat de concessie voor onbepaalde tijd wordt verleend en door de President ten allen tijde, met inachtneming van een opzeggingstermijn van één jaar, kan worden ingetrokken en dat in dit geval de werken, met toestemming van de Minister tot stand gebracht, tegen vergoeding van de door deze goedgekeurde kosten van aanleg, wijziging en uitbreiding na afschrijving voor waardevermindering worden genaast door de Staat.
    4. dat de concessie door de President kan worden ingetrokken bij niet nakoming van de voorschriften dezer verordening of van de voorwaarden, waaronder zij is verleend.
  3. Er kan worden afgeweken:
    1. van het in dit artikel sub 1o. en 3o. bepaalde bij het verlenen van concessies voor telegrafen en telefonen, waarvan het dienstbaar zijn aan het openbaar verkeer niet is de hoofdbestemming, maar de nevenbestemming;
  4. Voorzover de goedkeuring van de regeling der lonen en diensttijden van het bedienend personeel betreft, van het in dit artikel sub 2o. bepaalde, bij het verlenen van concessies voor telegrafen en telefonen aan boord van schepen.
 
* Artikel 3
  1. Een vergunning door of vanwege de Minister wordt vereist voor:
    1. de aanleg en de exploitatie van radiotelegrafen en -telefonen aan boord van schepen en luchtvaartuigen;
    2. de aanleg en het gebruik van niet voor het openbaar verkeer bestemde radiotelegrafen en -telefonen.
  2. Gelijke vergunning wordt, indien zij in, op of boven openbare gronden worden of zijn aangelegd dan wel tegen betaling in gebruik worden gegeven, vereist voor de aanleg en het gebruik van:
    1. andere dan de in het eerste lid onder b genoemde, niet voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen;
    2. inrichtingen, niet zijnde al dan niet voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen, doch niettemin bestemd voor het door middel van lijnen of geleidingen in enigerlei vorm doorgeven of overbrengen van klanken, beelden, tekens, seinen of andere mededelingen.
  3. Behalve de voorwaarden in elk bijzonder geval aan de vergunning te verbinden, wordt als regel gesteld:
    1. dat de vergunning door de Minister kan worden ingetrokken bij niet nakoming van de voorwaarden, waaronder zij is verleend;
    2. dat het gebruik van de inrichtingen, waarvoor de vergunning is verleend, zodra het door de Minister in het algemeen belang wordt nodig geacht, geheel of ten dele wordt gestaakt.
  4. In de vergunning kan de verplichting worden opgenomen tot betaling van een door de Minister te bepalen vergoeding, welke dient ter bestrijding van de kosten der bemoeiingen, die voortvloeien uit de controle op de naleving van de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.

 

* Artikel 4
  1. Het is verboden radiotelegrafen en -telefonen, al dan niet voor het openbaar verkeer bestemd, aan boord van:
    1. andere dan Surinaamse vaartuigen, die zich bevinden in de territoriale wateren of in het daarbinnen gelegen watergebied van Suriname;
    2. andere dan Surinaamse luchtvaartuigen, die zich op of boven het gebied van Suriname of de territoriale wateren bevinden, te doen werken, tenzij met inachtneming van de daarvoor door of vanwege de Minister vast te stellen voorschriften.
  2. Voor de radiotelegrafen en -telefonen als omschreven in het eerste lid, wordt geen vergunning vereist, tenzij zij zich bevinden binnen de territoriale wateren in het watergebied van Suriname dan wel op of boven het gebied van Suriname, zonder voorzien te zijn van een vergunning krachtens het internationale telecommunicatieverdrag (G.B. 1939 No.32) en daarbij behorende reglementen.
 
* Artikel 5

Vervallen.

 

* Artikel 6
  1. Bij Staatsbesluit worden voorschriften gegeven ter regeling van de aanleg en het gebruik van daarin te omschrijven radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen, niet zijnde - al dan niet - voor openbaar verkeer bestemde radiotelegrafen en telefonen.
  2. Bij het Staatsbesluit in het eerste lid bedoeld, kunnen tevens voorschriften worden gegeven met betrekking tot andere inrichtingen dan bij of krachtens deze wet zijn geregeld, welke zijn bestemd voor het met gebruikmaking van elektrische energie overbrengen van klanken, beelden, tekens, seinen of andere mededelingen.
  3. Bij het Staatsbesluit zoals in het eerste lid bedoeld, kunnen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde inrichtingen, onder meer bepalingen worden gesteld:
    • ten aanzien van den aanleg en het gebruik;
    • ten aanzien van den inhoud van en de controle op hetgeen door middel van de inrichtingen wordt uitgezonden, ter voorkoming van gevaar voor de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden; alsmede ten aanzien van de beschikking over hetgeen met de inrichtingen wordt opgevangen, ter bescherming van de rechten van derden;
    • ter voorkoming en opheffing van belemmering, welke de inrichtingen teweegbrengen aan de exploitatie van telegrafen en telefonen of aan het gebruik, hetwelk door Telesur van zoodanige inrichtingen wordt gemaakt.
  4. Ook kan bij dat Staatsbesluit de eis van een door de President te verlenen vergunning voor den aanleg en het gebruik van die inrichtingen of bepaalde groepen daarvan worden gesteld of wel het aanwezig hebben of het gebruik van bepaalde inrichtingen of onderdelen worden verboden voor zover deze wet niet reeds een zodanig verbod inhoudt.
  5. Bij het verlenen van een vergunning tot het doen van uitzendingen wordt - de omroepraad gehoord - de beschikbare zendtijd naar billijkheid verdeeld over de omroeporganisaties, die voldoen aan nader bij Staatsbesluit te stellen eisen.
  6. Als regel wordt bij dat Staatsbesluit gesteld dat het gebruik van de inrichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, zodra het door de President in het algemeen belang wordt nodig geacht, geheel of ten dele wordt gestaakt.
  7. Op overtreding van de in dat Staatsbesluit te geven voorschriften kan, voor zoover daartegen niet reeds bij deze verordening (wet) is voorzien, straf worden gesteld doch gene andere of hogere dan hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.
  8. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van den schuldige wegens eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis of geldboete tot het dubbel van het voor elk in het Staatsbesluit bepaalde maximum uitspreken.
  9. De inrichtingen of onderdelen, waarmede de overtreding is gepleegd, kunnen, voor, zoover zij den veroordeelde toebehoren, bij de veroordeling worden verbeurd verklaard.

 

* Artikel 6A
  1. Het aanwezig hebben van een radio-elektrische zendinrichting al dan niet zijnde een radiotelegraaf- of -telefoon als bedoeld in artikel 3 is verboden, indien aan de houder niet een bij of krachtens deze wet voor de aanleg, de exploitatie het gebruik van die inrichting vereiste vergunning is verleend.
  2. Het in lid 1 gestelde is niet van toepassing indien de radio-elektrische zendinrichtingen, ten vervoer aanwezig zijn bij hen, die het vervoer van goederen als bedrijf uitoefenen dan wel ten dienste van hun bedrijfsuitoefening aanwezig zijn bij hen, die het vervaardigen, herstellen of verhandelen van zodanige inrichtingen als bedrijf uitoefenen, mits zij de ter zake door de Minister te stellen voorschriften in acht nemen.

 

* Artikel 7
  1. Er is een Omroepraad, die zowel op daartoe strekkend verzoek van de Minister als eigener beweging de Regering van advies dient omtrent alle met de omroep in verband staande onderwerpen.
  2. De Omroepraad bestaat ten minste uit 5 leden en ten hoogste uit 9 leden, die door de President op voordracht van de Minister worden benoemd en ontslagen volgens bij Staatsbesluit te stellen regelen.
  3. Bij Staatsbesluit worden tevens geregeld de taak, werkwijze alsmede de samenstelling van de Omroepraad en de rechtspositie van haar leden.

 

* Artikel 8
  1. Bij Staatsbesluit kunnen voorschriften worden gegeven ter voorkoming en opheffing van daarbij te omschrijven storingen, welke elektrische inrichtingen, niet zijnde telegrafen en telefonen van Staatswege aangelegd, die bedoeld in artikel 19, eerste lid, daaronder begrepen, noch ook zijnde inrichtingen als bedoeld in het eerste of tweede lid van artikel 6, teweegbrengen ten aanzien van het gebruik van radio ontvanginrichtingen, welke dienstbaar zijn aan de radio-omroepontvangst, en aan de bij dat Staatsbesluit daarmede gelijk te stellen ontvangst.
  2. In het in het eerste lid bedoeld Staatsbesluit zullen onder meer bepalingen worden gesteld regelende de bevoegdheid van de Minister:
    1. de elektrische inrichtingen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de voorschriften en eisen die ten aanzien daarvan bij of krachtens dit Staatsbesluit kunnen worden gesteld, in groepen te verdelen;
    2. voorschriften, richtlijnen en eisen te geven met betrekking tot voorzieningen te treffen ten aanzien van de elektrische inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, betreffende den tijd waarop die inrichtingen al of niet in gebruik mogen zijn en betreffende het dragen van de aan de voorzieningen verbonden kosten en daarbij te bepalen dat door of vanwege de Directeur van Telesur aan de hand van die voorschriften en richtlijnen eisen kunnen worden gesteld.
  3. Van een beslissing door de Minister ingevolge het bepaalde in het tweede lid onder a genomen, staat voor iedere belanghebbende beroep op de President open en wel binnen een maand nadat de beslissing ter kennis van de belanghebbende is gebracht of hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen.
    De beslissing van de President wordt, de Omroepraad gehoord, binnen 3 maanden nadat het beroep is ingesteld, bij een met redenen omkleed besluit genomen, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besluit mocht verdaagd zijn. Van de beslissing door of vanwege de Directeur van Telesur ingevolge het bepaalde in het tweede lid onder b genomen, staat beroep open bij de Minister.
    De eerste volzin in dit lid vindt overeenkomstige toepassing.
  4. Op overtreding van de in deze besluiten te geven voorschriften kan daarbij straf worden gesteld, doch gene andere of hogere dan hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
  5. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert ene vroegere veroordeling van den schuldige wegens eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis of geldboete tot het dubbel van het voor elk in het besluit bepaalde maximum uitspreken.
  6. De inrichtingen of onderdelen daarvan, waarmede de overtreding is gepleegd, kunnen, voor zoover zij den veroordeelde toebehoren en voor zoover zij niet voor den openbaren dienst bestemd zijn, bij de veroordeling worden verbeurd verklaard.

 

* Artikel 9
  1. Een ieder is, behoudens het bepaalde in artikel 10 en onverminderd recht op schadevergoeding, verplicht den aanleg en de instandhouding van lijnen ten behoeve van telegrafen en telefonen, welke dienen voor de onderlinge verbinding van telegraaf- en telefoonkantoren in Suriname, alsmede voor de verbinding van die kantoren met telegraaf- en telefoonkantoren in het buitenland, in en op openbare gronden en alle andere gronden, uitgezonderd afgesloten tuinen en erven, die met bewoonde percelen een geheel vormen, benevens de opruiming daarvan te gedogen.
  2. Door den aanleg, de instandhouding en de opruiming van telegraaf- en telefoonlijnen wordt gene verandering in de bestemming en zoo min mogelijk belemmering in het gebruik der openbare gronden gebracht.

 

* Artikel 1O
  1. Indien bij aanleg van lijnen ten behoeve van telegrafen en telefonen geen overeenstemming omtrent de plaats, waar de kabels zullen worden gelegd, de werken of inrichtingen bedoeld in artikel 1 onder c zullen worden gemaakt of omtrent de uitvoering van de voorzieningen, die in verband met de aanleg in of boven die gronden, noodzakelijk zijn wordt verkregen, met de eigenaren en de beheerders van openbare gronden, alsmede met de eigenaren en gebruikers van niet openbare gronden, wordt door de Minister aan de Districtscommissaris een plan met beschrijving van hetgeen in het district zal worden aangelegd of van de uitvoering der voorzieningen toegezonden.Het plan met beschrijving wordt door de Districtscommissaris bekend gemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.
  2. Gedurende veertien dagen na de dagtekening van het Advertentieblad van de Republiek Suriname blijft het plan met beschrijving voor een ieder ter inzage neergelegd.
  3. Gelijktijdig met de openbare kennisgeving wordt door de Minister schriftelijk van bovenbedoelde nederlegging en aanwijzing kennis gegeven aan de eigenaren der gronden waarop of waarin de aanleg zal, of voorzieningen zullen geschieden.
  4. Gedurende dien tijd hebben belanghebbenden gelegenheid hunne bezwaren schriftelijk bij de Minister in te brengen. Met de bezwaren zal, zooveel zulks met het oog op de belangen van den aanleg mogelijk is, worden rekening gehouden.
  5. Wordt binnen dezen termijn geen gebruik van deze bevoegdheid gemaakt, dan wel worden door de Minister de bezwaren ongegrond bevonden, dan neemt de Minister zijne beschikking.
  6. Met den aanleg of met de uitvoering der voorzieningen wordt niet aangevangen alvorens de met redenen omklede beschikking van de Minister aan de belanghebbenden per aangetekende brief is medegedeeld.
  7. Bij opruiming van lijnen zijn de bepalingen in dit artikel van overeenkomstige toepassing.

 

* Artikel 11

De in artikel 9 bedoelde schadevergoeding bepaalt zich voor eigenaren en beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de kosten der voorzieningen en van de meerdere kosten van onderhoud.

 

* Artikel 12
  1. Onverminderd het bepaalde bij artikel 9 en onverminderd recht op schadevergoeding, is een ieder verplicht te gedogen:
    1. dat draden, al of niet opgenomen in een gemeenschappelijke mantel, ten behoeve van telegrafen en telefonen boven openbare of andere gronden, gebouwen en wateren worden aangelegd en in stand gehouden, mits zonder aanhechting of aanraking;
    2. dat in en aan gebouwen in en op gronden, welke daarmee een geheel vormen, telegraaf- en telefoonlijnen worden aangelegd en in stand gehouden ten behoeve van aansluitingen in die gebouwen en in naburige gebouwen;
    3. dat de onder a en b bedoelde draden en lijnen worden opgeruimd.
  2. Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming, bedoeld in het eerste lid, wordt geen verandering teweeg gebracht in de bestemming van hetgeen waarin, waaraan, waarop of waarboven de lijnen en draden zijn of worden aangelegd alsmede zo min mogelijk verandering in de uiterlijke gedaante en zo min mogelijk belemmering in het gebruik daarvan.
  3. Op de aanleg van draden en lijnen ingevolge dit artikel is het bepaalde bij artikel 10 niet van toepassing.

 

* Artikel 13
  1. De aanleg van lijnen van Staatswege of door de concessionaris in gronden van anderen brengt geen wijziging in den eigendom van hetgeen is aangelegd.
  2. Dit artikel is mede van toepassing op lijnen, aangelegd voor het inwerking treden van deze bepaling.
 
* Artikel 14
  1. De Minister beveelt op verzoek van belanghebbenden ten behoeve van de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken de nodige verplaatsing van telegraaf- en telefoonlijnen, des vereist onder door hem voor elk bijzonder geval te bepalen waarborgen voor het tot stand komen der gebouwen en werken.
  2. In alle andere gevallen kan de Minister op verzoek van belanghebbenden de verplaatsing van telegraaf- en telefoonlijnen bevelen onder door hem te bepalen voorwaarden.

 

* Artikel 15
  1. Rechthebbenden op bomen of beplantingen zijn, behoudens recht op schadevergoeding, verplicht deze op te snoeien of de takken daarvan in te korten, indien en voor zoover die bomen of beplantingen hinderlijk zijn of worden voor den aanleg en de exploitatie van telegrafen en telefonen.
  2. Voldoen de rechthebbenden niet binnen veertien dagen na bekomen schriftelijke kennisgeving, aan hunne verplichting, dan kan op last van - of vanwege de Minister uitvoering daaraan worden gegeven.
  3. Ingeval van belemmering of storing van het verkeer kan onmiddellijk tot het opsnoeien en inkorten van takken worden overgegaan. Aan de rechthebbende wordt hiervan zoo spoedig mogelijk schriftelijk kennis gegeven.
 
* Artikel 16
  1. De eis tot schadevergoeding bedoeld bij de artikelen 9, 12 en 15 wordt, onafhankelijk van hetgeen gevorderd wordt, aanhangig gemaakt bij den rechter van het kanton, waarin het goed gelegen is waaraan schade wordt toegebracht. Indien het goed in meer dan een kanton is gelegen, wordt de eisch aanhangig gemaakt bij den rechter van een der kantons, ter keuze van den eiser.
  2. Van de uitspraak van den kantonrechter is hoger beroep toegelaten.
  3. De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op de twistgedingen in dit artikel bedoeld van toepassing, voor zoover daarvan bij het 1ste en 2de lid niet is afgeweken.
  4. Ook voordat omtrent de schadevergoeding overeenstemming verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot de uitvoering van de in de artikelen 9, 12 en 15 bedoelde werkzaamheden worden overgegaan.

 

* Artikel 17
  1. Ten behoeve van de werkzaamheden voor den aanleg, de instandhouding en de opruiming van telegrafen en telefonen hebben de hiermede belaste personen te allen tijde toegang tot de percelen, waarvan de betreding door hen noodzakelijk wordt geacht.
  2. Wordt voor den toegang, bedoeld in het vorig lid vereist het betreden van woningen, dan treden de personen bedoeld in het vorig lid tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op vertoon van een schriftelijke bijzondere last van den Procureur - Generaal voor wat betreft geheel Suriname, van de Districtscommissarissen voor wat betreft ieders ressort. Van dat binnentreden wordt door hen proces - verbaal opgemaakt en een afschrift hiervan binnen tweemaal vier en twintig uren aan degene, wiens woning is binnengetreden, uitgereikt. De last kan niet anders worden uitgevoerd dan van des morgens zeven uur tot des avonds zes uur.

 

* Artikel 18
  1. Bij Staatsbesluit kunnen voorschriften worden gegeven ter voorkoming en opheffing van belemmering, welke elektrische geleidingen en inrichtingen aan de exploitatie van telegrafen en telefonen teweegbrengen.
  2. Op overtreding van de in het Staatsbesluit te geven voorschriften kan daarbij straf worden gesteld, doch gene andere of hogere dan hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.
  3. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van den schuldige wegens eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis of geldboete tot het dubbel van het voor elk in het Staatsbesluit bepaalde maximum uitspreken.
 
* Artikel 19
  1. De voorafgaande artikelen van deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op :
    1. van Staatswege aan te leggen of aanwezige, niet voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen;
    2. van Staatswege aan te leggen of aanwezige inrichtingen als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid.
  2. In geval van staat van oorlog of staat van beleg, alsmede in geval van oorlogsgevaar of in andere dringende omstandigheden, kan de aanleg van deze telegrafen en telefonen geschieden zonder inachtneming van het bepaalde bij artikel 10.
  3. Het bepaalde in artikel 18 geldt in door de President te bepalen gevallen mede voor telegrafen en telefonen door andere openbare lichamen dan van Staatswege aangelegd, doch niet bestemd voor het openbaar verkeer.

 

* Artikel 20

Het is aan een ieder geoorloofd van telegrafen en telefonen, met inachtneming van de hieromtrent vast te stellen bepalingen, gebruik te maken. Nochtans kan het overbrengen van telegrammen of het voeren van gesprekken worden geweigerd of gestuit wanneer hun inhoud in strijd wordt geacht met de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden. Van de reden der weigering of der stuiting wordt kennis gegeven aan den aanbieder van het telegram of aan hem, die het gesprek voert. De beslissing van de Minister kan te dezer zake worden ingeroepen.

 

* Artikel 21

Het telegrafisch en telefonisch verkeer kan door de President in het algemeen gedurende onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk worden geschorst.

 
* Artikel 22
  1. Binnenlandse tarieven voor gebruik van telegrafen en telefonen in exploitatie bij Telesur worden bij Staatsbesluit vastgesteld.
  2. De tarieven voor de telecommunicatiediensten dienen zodanig te worden vastgesteld dat het netto exploitatieresultaat na aftrek van de afschrijvingen op de duurzame productiemiddelen en de interestkosten tenminste kostendekkend is.
 
* Artikel 22A

De President kan verdragen of overeenkomsten met vreemde mogendheden sluiten betreffende het telegrafisch en telefonisch verkeer met het buitenland.

 

* Artikel 23

Telesur en de concessionaris zijn niet aansprakelijk voor schade, ontstaan door den dienst van telegrafen en telefonen, behalve in de gevallen bedoeld bij de artikelen 438, 439 en 440 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht.

 

* Artikel 24

Het vervaardigen, verspreiden of ter verspreiding in voorraad hebben van lijsten en dergelijke vermeldingen van bij Telesur, of bij dien van een concessionaris aangeslotenen, of van andere gegevens betreffende het bedrijf, benevens van nabootsingen, op welke wijze dan ook vervaardigd, van bij een der vorenbedoelde bedrijven, of bij dien der telegrafen in gebruik zijnde drukwerken, formulieren en bescheiden, anders dan met toestemming van de Directeur van Telesur of den concessionaris, is verboden, onverminderd hetgeen terzake van deze voorwerpen in andere algemene verordeningen (wetten) is bepaald. De voorwerpen waarmede de overtreding is gepleegd, kunnen, voorzover zij den veroordeelde toebehoren, bij de veroordeling worden verbeurd verklaard.

 

* Artikel 25

In geval van staat van oorlog of staat van beleg, verlangt het militair gezag de beschikking over de telegrafen en telefonen, al dan niet voor het openbaar verkeer bestemd, alsmede over de inrichtingen in artikel 6 bedoeld.

 

* Artikel 26 **
  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden wordt gestraft:
    1. hij, die radiotelegrafen en -telefonen aanlegt of exploiteert zonder de concessie bij artikel 2 gevorderd;
    2. hij, die radiotelegrafen en -telefonen aan boord van schepen en luchtvaartuigen aanlegt of exploiteert dan wel niet voor het openbaar verkeer bestemde radiotelegrafen en -telefonen aanlegt of gebruikt zonder de vergunning bij artikel 3, eerste lid, gevorderd;
    3. hij, die radio-electrische zendinrichtingen, niet zijnde radiotelegrafen of -telefonen, al dan niet voor het openbaar verkeer bestemd, aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt in de gevallen waarin dit krachtens artikel 6 is verboden.
    4. hij, die radio-electrische zendinrichtingen aanwezig heeft in de gevallen, waarin dit bij artikel 6a is verboden;
    5. hij, die handelende in de hoedanigheid als omschreven in het tweede lid van artikel 6a de aldaar bedoelde voorschriften niet in acht neemt.
  2. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden wordt gestraft:
    1. hij, die andere telegrafen en telefonen dan die, bedoeld in het vorige lid onder a, aanlegt of exploiteert, zonder de concessie bij artikel 2 gevorderd;
    2. hij, die andere, niet voor het openbaar verkeer bestemde, telegrafen of telefonen dan die, bedoeld in het vorige lid onder b, aanlegt zonder de vergunning bij artikel 3 gevorderd;
    3. hij, die de voorschriften, bedoeld in artikel 4 of het verbod, bedoeld in artikel 24 overtreedt.
  3. Indien tijdens het plegen van het misdrijf of de overtreding in dit artikel bedoeld, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van den schuldige wegens eenzelfde misdrijf of eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, kunnen de in dit artikel bepaalde straffen worden verdubbeld.
  4. De telegraaf- en telefoon lijnen, alsmede de voor het overbrengen van telegrammen en gesprekken gebezigde toestellen en de radio-electrische zendinrichtingen of onderdelen daarvan kunnen, voorzover zij den veroordeelde toebehoren, bij de veroordeling worden verbeurd verklaard.
  5. De Surinaamse Strafwet is toepasselijk op de Surinamer die, aan boord van een zich buiten elk nationaal gebied bevindend vaartuig, luchtvaartuig of ander drijvend dan wel door de lucht gedragen voorwerp, zich schuldig maakt aan een der in het eerste lid, aanhef en onder d en e strafbaar gestelde feiten.
  6. De feiten bij of krachtens deze landsverordening (wet) strafbaar gesteld worden beschouwd als overtredingen, met uitzondering van die, strafbaar gesteld bij het eerste lid van dit artikel, welke als misdrijven worden beschouwd.
  7. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, is medeplichtigheid aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, onder e, niet strafbaar.

 

* Artikel 27

Onverminderd het bepaalde in het Surinaams Wetboek van Strafrecht, wordt de gezagvoerder van een vaartuig of die hem vervangt, gestraft met ene geldboete van ten hoogste duizend gulden, wanneer hij ankert of het anker laat vallen of met een krabbend anker vaart binnen een afstand van duizend meter van een in ene rivier of een ander water gelegen kabel, voor zoover deze ten algemenen nutte gebezigd wordt, in de richting aangewezen door bakens ter aanduiding van de landingsplaatsen van dien kabel.

 

* Artikel 28
  1. Met het opsporen van de overtredingen van deze landsverordening (wet) of de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften zijn, behalve de bij artikel 8 van het Surinaams Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de daartoe aangewezen functionarissen van Telesur, alsmede alle andere personen daartoe door de President aangewezen.
  2. Ze zijn te allen tijde bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen.
  3. Zij hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat enig strafbaar feit, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt gepleegd.
  4. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm.
  5. In woningen treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen dan:
    1. vergezeld van den betrokken Districtscommissaris of wel
    2. voorzien van een algemenen of bijzondere schriftelijke last van den Procureur - Generaal bij het Hof van Justitie dan wel van den betrokken Districtscommissaris.
  6. Van dit binnengaan wordt door hen proces - verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan degene, wiens woning is binnengegaan, in afschrift wordt medegedeeld.

 

* Artikel 29
  1. Indien een feit, bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:
    1. tegen die rechtspersoon dan wel
    2. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedragingen, dan wel
    3. tegen de onder 1) en 2) genoemde tezamen.
  2. Een strafbaar feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbare feit hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat strafbaar feit aanwezig zijn.
  3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder of, indien er meerdere bestuurders zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; hij kan alsdan zijn medebrengen gelasten.
  4. Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, geschiedt de uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan de plaats waar het bestuur zitting of kantoren houdt of aan de woonplaats van het hoofd van het bestuur, dan wel indien het bestuur geen hoofd heeft, bij een van de bestuurders. Betreft de uitreiking een gerechtelijk schrijven als bedoeld in artikel 51 Wetboek van Strafvordering, dan is artikel 517, tweede en derde lid, van dat wetboek van overeenkomstige toepassing.
  5. Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, enige andere vereniging van personen en het doelvermogen.

 

* Artikel 30
  1. De voor het in werking treden van deze verordening (wet) door de President of krachtens door de President verleende concessies aangelegde telegrafen en telefonen worden beschouwd als te zijn aangelegd overeenkomstig de bepalingen dezer verordening (wet), zodat aan derden met betrekking tot de instandhouding van die telegrafen en telefonen dezelfde rechten toekomen, welke zij zouden kunnen doen gelden, indien de aanleg na het in werking treden van deze verordening (wet) had plaats gehad.
  2. De door de President verleende concessies blijven van kracht, totdat zij door overeenkomstig artikel 2 vastgestelde concessies zullen zijn vervangen.

 

* Artikel 31
  1. Bij de in werking treding van deze landsverordening (wet) vervallen:
    1. de Verordening (wet) van 17 januari 1888 (G.B. No.3) betreffende telegrafen en telefonen, gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen en aanvullingen;
    2. artikel 442 bis van het Surinaams Wetboek van Strafrecht.
  2. De bepalingen der uitvoeringsvoorschriften voorzover niet in strijd met deze verordening (wet), steunende op de in het eerste lid bedoelde algemene verordeningen (wetten), blijven van kracht, totdat zij door andere regelingen zijn vervangen.

 

* Artikel 32

Deze landsverordening (wet) kan worden aangehaald onder den titel van "Telegraaf- en Telefoonverordening (-wet) 1945".

 

*** Artikel 33

Deze landsverordening (wet) treedt in werking op een nader door de President te bepalen tijdstip.

 

Gegeven te Paramaribo, de 31ste mei 1984

L.F.RAMDAT MISSIER.

Het Militair Gezag,

De Bevelhebber van het Nationaal Leger,

D.D.BOUTERSE.

 

De Minister van Openbare Werken,Telecommunicatie en Bouwnijverheid,

W.CHIN JOE.

 

De Minister van Binnenlandse Zaken, Districtsbestuur en Justitie,

F.J.LEEFLANG.

 

Uitgegeven te Paramaribo, de 31ste mei 1984.

 

De Minister van Binnenlandse Zaken, Districtsbestuur en Justitie,

F.J.LEEFLANG.

 

* Gewijzigd bij S.B.1983 no.54.

** Verbeterd bij S.B.1984 no.33.

** Inwerking getreden met ingang van 1 november 1945 (G.B.1945 no.114).